Tagarchief: school

En weer is er een schooljaar voorbij…

Vandaag in het Jeugdjournaal werd uitgelegd waarom we in Nederland de zomervakantie in drie regio’s hebben verdeeld. En dat de eerste scholen vanaf vrijdag zomervakantie vieren. Wij mogen nog even, en ja dat voelt soms als moeten. Een kleine drie weken en dan zit het schooljaar er alweer op.

Een schooljaar… Je zou er een documentaire over kunnen maken. Of een boek over kunnen schrijven. Op onze school met ruim 600 kinderen, 400 ouders en 60 collega’s gebeurt er meer dan je in een dagelijkse soapserie kwijt kunt. Feestelijke gebeurtenissen worden samen gevierd, droevige samen beleefd. Leerkrachten bouwen een hechte relatie op met hun klas, en laten de kinderen straks weer los. Zo’n 80 kleuters kwamen er dit jaar bij. En straks maken 86 kinderen de stap naar de middelbare school.

Nieuwe collega’s hebben hun plek gevonden in het team, en een aantal gaat ons straks verlaten. ‘Nieuwe’ ouders brachten hun kind dagelijks naar school. Spannend om ze uit (maar in goede) handen te geven. En er zijn ouders die de basisschooltijd over drie weken achter zich laten, klaar voor een nieuwe stap. Waarbij ze nog meer los moeten laten, op een andere manier betrokken zijn. Omdat de kinderen hun eigen weg kiezen.

Een basisschool leeft.

De laatste weken is het basisonderwijs veel in het nieuws geweest. Leerkrachten verdienen net zoveel als hun collega’s in het voortgezet onderwijs. En de werkdruk moet omlaag. Dat zal nog wel even duren, de politiek kennende. Maar het schoolleven gaat door. Want over twee maanden staat er weer een nieuwe groep kinderen en ouders klaar.

Waar diverse politieke partijen nu al 100 dagen bezig zijn om zoveel mogelijk eigen plannen in het regeerakkoord te krijgen, nemen de leerkrachten straks 5 weken rust. Daarna mogen ze weer, en ja dat voelt soms als moeten. Want het schoolleven gaat door.

We zien dat het moeilijk is nieuwe collega’s aan te trekken. En we zien dat het moeilijk is om elk jaar weer fris en enthousiast te starten. Maar een andere optie is er niet. Kinderen en ouders hebben terecht hoge verwachtingen. Gelukkig werken in het basisonderwijs mensen met hart voor hun vak. Met de wil om het goed te doen en ruimte te scheppen waarbinnen  kinderen zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Samen gaan we er weer voor.

Ik ben supertrots op de collega’s van onze school die jaarlijks een mooie prestatie leveren. We zijn in staat om een school neer te zetten waar kinderen met plezier naartoe gaan. Waar we samen met ouders optrekken in het belang van de kinderen. En waar we zelf blijven leren.  Met recht dus een school om trots op te zijn!

Sommige clichés zijn waar: we zijn nooit uitgeleerd en er zijn altijd verbeterpunten. Maar vanavond vier ik de school waar ik werk en de betrokkenheid van de kinderen, ouders en collega’s die samen de Ark vormen. Op weg naar een mooie afsluiting en dan genieten van een welverdiende vakantie! Tot volgend jaar!

Afbraak van talent? Afbraak van vertrouwen en kansen!

In ‘Onderwijsblad’ van 7 maart schrijft Ton van Haperen in zijn wekelijkse column over de ‘afbraak van talent’. Hij suggereert dat kinderen te vroeg in twee stromen worden verdeeld in het basisonderwijs en dat mede dankzij de nieuwe toelatingsprocedure ‘de institutionele afbraak van talent wordt geïntensiveerd’. Dat vraagt om een korte reactie.

Ton van Haperen beschrijft dat de afname van de nieuwe eindtoets kinderen op twee kennisniveaus toetst. En dat basisscholen daarom hun leerlingen in twee stromen verdelen. Het klopt dat de nieuwe eindtoetsen vooral gericht zijn op de vakgebieden lezen, taal en rekenen. Hij vergeet erbij te vermelden dat de eindtoetsen ook extra onderdelen hebben zoals bijvoorbeeld ‘wereldoriëntatie’ en ‘functioneren’. Deze zijn echter niet verplicht.

Maar dat basisscholen hun leerlingen in twee stromen verdelen is iets wat ik in het basisonderwijs nog niet ben tegengekomen. Sterker nog, als er één onderwijsvorm is waar kinderen van verschillende niveaus bij elkaar in de klas zitten is het wel het basisonderwijs. Kinderen die pas na groep acht uiteen gaan in diverse richtingen, van praktijkonderwijs, vmbo-b, vmbo-t, havo tot vwo. Deze niveaus komen ook terug in de rapportage van de eindtoetsen, en niet zoals Ton van Haperen zegt alleen op vmbo en havo/vwo niveau. Zie deze site bijvoorbeeld. Tot en met groep 8 worden deze kinderen zo goed mogelijk passend bij de diverse niveaus geholpen zich verder te ontwikkelen. Adaptief en passend onderwijs noemen we dat. Ik spreek regelmatig VO-docenten die zeggen dat ze daar nog veel van kunnen en willen leren.

Ton van Haperen zegt dat de zgn tweedeling al in groep 6 begint. Geen idee hoe hij daar bij komt. Misschien bedoelt hij dat veel scholen de gegevens van het LVS op de gebieden rekenen en begrijpend lezen vanaf groep 6 gebruiken als één van de onderdelen waarop het advies wordt gebaseerd. Dit omdat gebleken is dat deze twee vakken de meest voorspellende waarde hebben voor de juiste advisering. En omdat je dan niet kijkt naar één toetsmoment, zoals de Eindtoets deed, maar naar een ontwikkeling van minstens drie jaar. Op deze wijze kun je als basisschool rekening houden met bijvoorbeeld een sterk groeiende of juist dalende lijn. Je rekent een kind niet af op één momentopname, zoals dat in het verleden wel vaak gebeurde.

Nogmaals, dit kan één van de onderdelen zijn waarop het advies wordt gebaseerd. In onze regio is dat het geval en wordt het zgn ‘uitstroomprofiel’ met daarop die ontwikkeling van drie jaar meegegeven aan het VO. Maar een basisschool kijkt natuurlijk  verder dan alleen naar die toetsuitslagen. Werkhouding, zelfstandigheid, motivatie, nieuwsgierigheid, concentratie, doorzettingsvermogen, huiswerkhouding, samenwerking: allemaal onderdelen waar naar gekeken wordt bij de advisering. En natuurlijk de andere resultaten die worden behaald op school.

Ton van Haperen verwijst naar de jaren 50 toen ‘de hoofdonderwijzer bepaalde wie op welke middelbare school toelating mocht doen’. Dat is op geen enkele wijze te vergelijken met deze tijd. Een advies wordt niet door één persoon bepaald. Zo praten op onze school de docenten van groep 7 en 8, de intern begeleider en de directeur mee. Samen kijken we wat volgens ons de beste plek is voor elk kind. En dat proces begint inderdaad vanaf groep 6. Zo komen ouders niet voor verrassingen te staan en voorkom je druk van ouders om adviezen aan te passen.

Dat laatste kan met deze toelatingsprocedure een probleem vormen, maar het is echt aan de basisscholen om dit te voorkomen. Transparantie, openheid, heldere argumenten en goede samenwerking met VO-scholen zorgen dat je met elkaar tot een passend advies komt. Daar heb je geen eindtoets voor nodig.

In de column wordt gesproken over afbraak van talent. Ik denk dat dit niet zozeer ligt aan de wijze van advisering, maar aan het gebrek aan mogelijkheden tot opstromen en afstromen in het VO. Middelbare scholen worden teveel afgerekend op eindresultaten. Hierdoor lijkt het  vaker voor te komen dat kinderen vooral steeds hogere gemiddeldes moeten halen voordat ze ook maar de kans krijgen op te stromen. Zittenblijven mag niet meer, dat is te duur. Er wordt vooral uitgegaan van zekerheid in plaats van vertrouwen. Niet op alle scholen, en zeker niet door alle docenten. Maar de tendens is zichtbaar.

Ik ben het met Ton van Haperen eens dat ons onderwijs nog meer mogelijkheden moet geven verschillende talenten te ontwikkelen. Niet te vroeg in hokjes stoppen, niet te vroeg kiezen. Zorg dus voor echte gemengde brugklassen, geef kinderen de kans zich te bewijzen en de mogelijkheid een stap terug te doen. Zonder hiervoor als school gestraft te worden.

Er wordt een karikatuur geschetst in het Onderwijsblad. Jammer, en onterecht. Ton van Haperen zou zich eens wat meer moeten verdiepen in het basisonderwijs en de leerkrachten voordat hij ze in een column neerzet als onwetende figuren die weinig kunnen melden over de ontwikkeling van een kind. Hij schrijft over een periode die past bij zijn eigen basisschooltijd. Er is sindsdien een hoop veranderd. Gelukkig maar.

Nieuw lotingsysteem Zuid-Kennemerland

Binnenkort in te vullen..

Binnenkort in te vullen..

Al jaren vindt rond maart dezelfde discussie plaats: waarom moet er nou alweer geloot worden om een plek te krijgen op de middelbare school? En waarom duurt dat proces zo lang? Kan het niet anders, beter, sneller?

Op de eerste vraag is eenvoudig antwoord te geven. Een school kan niet het ene jaar 100 brugklassers aannemen en het jaar erop 300. Dat zou namelijk betekenen dat er lokalen moeten worden bijgebouwd, leerkrachten aangenomen en dat verandert de gehele schoolorganisatie. Als het jaar erop weer minder leerlingen worden aangemeld staan er lokalen leeg en moeten diezelfde leerkrachten ontslagen worden. Er is dus beperkt plek en daar zullen ouders en kinderen altijd mee te maken houden.

Kan het niet anders? Jazeker. Dit jaar is het de schoolbesturen in Zuid-Kennemerland gelukt een nieuwe lotingsprocedure vast te stellen. Kinderen en ouders geven een top vijf op in geval van vmbo-t, havo en vwo. En een top twee bij een praktijkonderwijs- of vmbo-b advies. Vervolgens komen alle scholen bij elkaar om te zorgen dat er zoveel mogelijk kinderen op hun nummer één keuze worden ingedeeld, vervolgens nummer twee etc. Indien er teveel aanmeldingen zijn wordt er geloot, vindt er een tweede ronde plaats en dat gaat net zo lang door tot elk kind een plek heeft.

Is dit beter? Sneller? In elk geval krijgen alle kinderen op dezelfde dag te horen op welke school ze zijn aangemeld. Er is dus geen sprake meer van een periode van enkele weken waarin kinderen en ouders opnieuw een keuze  maken en  moeten afwachten of dit gelukt is, om vervolgens in het ergste geval weer uitgeloot te worden. Sneller is het dus zeker.

Of het beter is? Je kunt vaststellen dat het fijn is dat elk kind dezelfde dag te horen krijgt naar welke school hij kan gaan. En dat de periode van onzekerheid voor het grootste deel is weggenomen. Daarnaast is het nu nog belangrijker dat kinderen en ouders zich breed oriënteren. Kijk niet naar één school, maar ga naar zoveel mogelijk scholen zodat je goed kunt vergelijken. Dat geven we in groep acht al jaren aan, maar nu is het noodzakelijk omdat er anders geen top twee of top vijf kan worden gegeven. Geen tunnelvisie maar de horizon verbreden, ook beter dus.

Er blijven nadelen bestaan. Je zou het liefst willen dat elk kind naar de school van eerste keuze kan gaan. Helaas is dit organisatorisch onmogelijk. Natuurlijk, scholen verschillen van elkaar. De ene school profileert zich vooral op creatief gebied, de ander op techniek of sport. Maar er is één ding dat de scholen in onze regio gemeen hebben: de kwaliteit is overal voldoende tot goed. Afgelopen jaar waren er vrijwel geen scholen met een onvoldoende beoordeling. We zouden dus voor een deel kunnen spreken van een luxe-probleem. In grote delen van Nederland gaan alle kinderen naar dezelfde school, omdat dat nu eenmaal de enige school in de buurt is. Wij mogen en kunnen kiezen. Dat heeft blijkbaar voor- en nadelen maar ik denk dat met dit systeem de voordelen het grootst zijn.

Het blijft lastig. Iedereen wil het beste voor zijn kind, en terecht. Ik heb ervaren dat de kinderen die bij ons zijn uitgeloot het prima naar hun zin hebben gehad op de middelbare. Op welke school dan ook. Er zijn veel meer factoren van belang voor het slagen van de schoolperiode, denk maar aan klasgenoten, leerkrachten, mentoren en vooral de eigen wil tot succes.

Kan het beter? Ik denk dat er nog een slag te slaan is op digitaal gebied. Dat versnelt het proces en scheelt een hoop werk. Daarnaast kun je dan de meest gunstige loting berekenen, in plaats van uit te gaan van zoveel mogelijk nummers één. En misschien zou je nog meer rekening moeten houden met de plaats van de school in de buurt. Maar dat is weer een nieuwe discussie: wat moet een grotere rol spelen, de wens van het kind, ouder of de afstand tot de school? Daarnaast is het afwachten wat de nieuwe verplichte centrale Eindtoets betekent voor dit systeem. Iets waar goed over wordt nagedacht. We zullen het vanzelf gaan ervaren binnenkort.

Tenslotte hoop ik dat er in de toekomst op meer scholen gebruik wordt gemaakt van echte brugklassen. Een periode waarbij je niet op je elfde al wordt ingedeeld en vervolgens met moeite kan omschakelen naar een ander niveau. Maar waar je nog de tijd krijgt te laten zien waar je kwaliteiten liggen en hierop wordt ingespeeld door de school.

Desondanks is er een grote stap gemaakt. Naast een goede regio rondom Passend Onderwijs stel ik ook vast dat er hard wordt gewerkt aan een goede overgang van basisschool naar middelbare school, en dat heeft effect.

Ik ben benieuwd naar jullie mening en ervaringen dit jaar!

Voor meer informatie lees ook het artikel in het Haarlems Dagblad

En bekijk de site van Brugweb (nog niet up to date, pas bij het verschijnen van het Brugboek)

Lees meer over Passend Onderwijs in Zuid-Kennemerland

 

 

 

Leve de leraar!

Leve de leraar

Leve de leraar

‘Onderwijs is het veld van geloofsijver, beleidsdiscussies als mul zand, modes die komen, schade aanrichten en weer gaan. Maar iedereen weet: het draait eigenlijk om de leraar. Als die een jong mens inspireert, is een wereld gewonnen. Laten we dus de leraar eren, die voor een heel bescheiden loon een heel belangrijke rol speelt in zo veel levens.’

Zo schrijft Philippe Remarque in zijn voorwoord van de zaterdagspecial van de Volkskrant: Leve de leraar. Een speciale bijlage over werken in het onderwijs. In de special zijn verschillende verhalen te lezen over orde houden, werkdruk, zij-instromers, de gezonde school en de leraar in films. De mooiste bijdragen gaan over de herinneringen die gekoesterd worden, onder anderen door Alexander Pechtold, Marianne Vos, Henk Schiffmacher en André Kuipers. Verhalen die vertellen over vertrouwen geven en krijgen, enthousiasmeren, richting geven en inspireren.

Elke leerkracht hoopt het verschil te kunnen maken. Hij heeft voor het vak van onderwijzen gekozen om bij te dragen. Een leerling talenten laten ontdekken die hij nog niet van zichzelf kende, of juist ruimte geven een talent verder te ontwikkelen. Een leerling vertrouwen geven ertoe te doen, ook al denkt zijn omgeving daar soms anders over. Een leerling enthousiast maken om naar school te gaan, ondanks dat het lang niet allemaal leuk en makkelijk is. Een leerling uitdagen te blijven leren, kennis op te doen om verder te komen in het leven. Kortom: een veilige plek bieden waar kinderen kansen krijgen zich te ontwikkelen.

Dat dit niet altijd lukt ligt voor de hand. Het beste onderwijssysteem bestaat niet. Elke leraar is anders, elk kind is anders. Met klassen van 30 kinderen kun je onmogelijk aan de wensen en behoeften van elk individu tegemoet komen. En toch probeer je het iedere dag weer.

Robert Marzano heeft een meta-analyse uitgevoerd op de onderwijsresearch van de laatste 35 jaar. Hij concludeerde dat er 11 factoren zijn die het succes van onderwijs bepalen, te verdelen in drie groepen:

Schoolniveau

  • Haalbaar en gedegen programma
  • Uitdagende doelen & effectieve feedback
  • Betrokkenheid van ouders en gemeenschap
  • Veilige, ordelijke omgeving
  • Collegialiteit & professionaliteit

Leraarniveau:

  • Didactische aanpak
  • Pedagogisch handelen & klassenmanagement
  • Sturing & herontwerpen programma

Leerlingniveau:

  • Thuissituatie
  •  Achtergrondkennis
  • Motivatie

Hij geeft aan dat 67% van het leereffect bepaald wordt door het vakmanschap van de leraar. Bij Marzano gaat het vooral om leerrendement. Het gaat erom dat duidelijk is dat de leraar ertoe doet.

Ook ik hoop, net als waarschijnlijk de meeste leraren, voor zoveel mogelijk kinderen de rol te kunnen spelen zoals die omschreven staat in de verhalen in de Volskrantspecial. Dat ik samen met mijn collega’s ervoor zorg dat ze sterk en vol vertrouwen de stap kunnen maken naar de middelbare school.

Mooi dat een landelijke krant eens op positieve wijze aandacht geeft aan het onderwijs en in het bijzonder de plek van de mensen die daadwerkelijk het verschil kunnen maken. Het kan altijd beter, en zelfkritiek is een belangrijke voorwaarde voor ontwikkeling. En natuurlijk dragen besturen, directies en andere betrokkenen bij aan voorwaarden die nodig zijn om te kunnen lesgeven. Maar het zal uiteindelijk in de klas moeten gebeuren.

Leve de leraar!

 

Leereffect van school & leraar

Leereffect van school & leraar

Voor meer informatie over het onderzoek van Marzano, bekijk deze site

 

 

Het leven van een leerkracht #1

Het leven van een leerkracht, een reeks blogposts waarin je wekelijks wordt meegenomen in de wereld van groep acht.

‘Jongens kom op zeg, ik ben wat aan het uitleggen. Je kunt op zijn minst even deze kant opkijken zodat ik het idee heb dat het je interesseert’.

Ik hoor het mijzelf zeggen wanneer er tijdens een instructie getekend wordt, of gefrutseld met lijm en andere spannende & bijzondere objecten voor groep achters. Want wat valt er veel te ontdekken op zo’n tafeltje! Ik probeer dan uit te leggen dat ze misschien wel goed meedoen en opletten, maar ze dat met de houding van dat moment niet uitstralen. Elkaar aankijken, actief meedoen, vragen stellen, eigen inzichten betrekken bij het lesonderwerp. Daarmee laat je echt zien dat je betrokken bent.

Afgelopen week viel ik volledig door mand. Dit jaar volg ik zelf een opleiding en op mijn bureau lagen de hand-outs van de lesdag over kwaliteitszorg. Dia’s met aantekeningen erbij geschreven, maar vooral volgeklad met figuurtjes, tekeningen die niks voorstellen en andere onzinnige, niet ter zaken doende afbeeldingen. Als ik langer dan tien minuten moet luisteren dan gaan mijn handen vanzelf aan het werk en maak ik de mooiste vergaderkunstwerken. Ik hoor alles, stel vragen tussendoor en doe mee, alleen lang stilzitten zal nooit lukken. De kinderen bekeken de hand-outs. ‘Maar meester, je mag toch niet tekenen tijdens de les? Dan laat je niet zien dat je meedoet. Was het niet interessant genoeg?’ Direct en duidelijk. Ik mag nog blij zijn dat ze niet mijn kunstwerken van twix-papiertjes gecombineerd met theezakjes en pepermuntverpakkingen hebben gezien.

Maar ik vrees wel dat het gedaan is met de regel van niet tekenen tijdens de les. Concentreren en ondertussen kleine onzinnige bezigheden verrichten kunnen goed samengaan. Het is aan de leerkracht om te zorgen dat kennis tijdens instructiemomenten over wordt gedragen en dit direct tijdens de les te toetsen. Het gaat hier niet om de leerlíng- maar leerkráchtvaardigheden. Als vervolgens de aandacht toch teveel uitgaat naar de knutselvaardigheden dan is het goed om: a. Eerst eens na te gaan of de lesstof wel interessant genoeg is, en b. of  je wel  de juiste didactiek hanteert. Kinderen aanspreken komt dan op de laatste plaats.

Ik ervaar nu weer regelmatig hoe het is om langdurig te luisteren. Dan zit ik in de trein terug naar Haarlem en denk: we vragen soms teveel van de concentratieboog van kinderen. Zorg voor genoeg variatie in werkvormen en tussenmomenten waarbij energie kan worden opgedaan. Te vaak vervallen we in de gewoonte om het hele programma af te ronden zodat we met een voldaan gevoel de dag af kunnen sluiten. Maar het gaat om kwaliteit, niet om kwantiteit.

Gelukkig levert het werken met groep acht dagelijks momenten van reflectie op. Eén van de voordelen van het werken in het onderwijs. Maandag begint weer een nieuwe week, waarin het woord ‘aan-tekening’ een nieuwe betekenis heeft gekregen.